Logo bevrijdingskrant.nl

Het slechtste jaar uit de oorlogsperiode 1944-1945

De belevenis van de 10-jarige Co Eger, geboren 27 mei 1934 uit Overschie.

Omdat de Duitse bezetter steeds minder voedsel en brandstof via het distributiesysteem beschikbaar stelde, kwamen vele gezinnen in de problemen, omdat wat er op de bonnen eventueel nog verkrijgbaar was, te veel was om te sterven en te weinig was om te overleven. De reden dat de bezetter de rantsoenering zo ver naar beneden had bijgesteld, was onder andere straf voor het plegen van sabotagedaden door de ondergrondse strijders aan de spoorwegen, met name aan de spoorlijnen vanuit Amsterdam naar het zuiden.

Door deze tekorten aan voedsel en brandstof gingen de mensen, zoals dat heette, “de boer op”. De bezetter had dit in de gaten en kondigde bestraffing aan als er buiten het bonnenstelsel met name voedsel werd aangekocht. Die bestraffing was zowel op de “koper” als “verkoper” van toepassing.

Om het risico van arrestatie te ontlopen gingen de mensen reeds in het late najaar van 1944 op voedseltocht naar het oosten van het land. Die barre wintertochten werden noodgedwongen voortgezet gedurende de hele winterperiode 1944-1945, met name naar Gelderland en Overijssel.

In Overschie, waar ik woonde en nog woon, werd door onder andere de kerken en het Leger des Heils hulp geboden om kinderen vanuit Overschie naar gastadressen in het oosten van het land te vervoeren. Omdat de Röntgen Technische Dienst gevestigd in Overschie, met ook een vestiging in Hengelo een vergunning had om te mogen rijden, deed de directeur, de heer Ouwerkerk de toezegging, om kinderen uit Overschie naar onder andere Rijssen en omstreken te vervoeren, met een dichte vrachtauto. Er werd een organisatie opgezet met onder andere het Leger des Heils Overschie en Rijssen om kinderen uit Overschie met de vrachtauto van de R.T.D. te vervoeren naar Rijssen. Het aantal kinderen dat door de ouders, veelal de moeders, was aangemeld bedroeg 20, inclusief mijn zus, die wegens heimwee met het volgende transport weer mee naar Overschie is gegaan. De meeste vaders waren opgepakt en in fabrieken in Duitsland gedwongen te werk gesteld voor de “arbeitseinzats”.

Omdat het vervoer van de kinderen gedurende de avond/nacht moest plaatsvinden als het een bewolkte hemel was, dit om niet opgemerkt te worden door de geallieerde vliegtuigen, die op thuisreis naar onder andere Engeland, nogal eens voertuigen onder vuur namen.

Wij zijn half september 1944 om 22.00 uur uit Overschie vertrokken met een auto van de R.T.D., die op houtgas reed, waarvoor een houtgasgenerator als aanhanger was aangekoppeld. Gedurende deze reis zijn wij zeker 10 keer aangehouden door de Duitse Weermacht en kwamen de soldaten aan de achterzijde de auto binnen en beschenen ons met een felle zaklantaarn in het gezicht om te zien of er geen Joodse kinderen in de auto aanwezig waren.

Bij de brug over de IJssel bij Deventer werd de auto weer aangehouden en moesten wij van de kistjes waarop wij zaten opstaan en keerden de soldaten de kistjes om. Dit om  te zien of zij wel leeg waren en er geen illegale post in zat. Na deze controle zijn wij weer via Holten verder gereden naar de familie van Nieuwenhuizen in Rijssen en werden wij aldaar om 02.00 uur heel warm ontvangen en getrakteerd op een bruine boterham en een kopje soep.

De gastouders waren ook aanwezig en wij zijn op weg gegaan naar de woning van mijn gastouders. Dat was eerst Tandarts Brouwer aan de Enterweg en later bij de familie Scholten op de Witmoesdijk 27, omdat ik aangegeven had, dat ik liever op een boerderij wilde “logeren”.

Bij de familie Scholten, man, vrouw, zoon en dochter, ben ik geweldig opgevangen en zij hebben mij behandeld als hun eigen zoon en ik was voor de dochter haar “brurken”. Zij was voor mij een geweldige “zus”. Ook werd mij medegedeeld dat ik ook Scholten heette voor de buitenwereld! Omdat de zoon Willem niet aanwezig was, ondergedoken, nam ik stilzwijgend zijn plaats in en vandaar dat mijn naam Scholten was, dan bestond het gezin dus gewoon uit 4 personen. Tijdens mijn verblijf was  de heer Scholten stoker bij de gasfabriek en was nogal eens onderweg om de ketels op te stoken! 

Na thuiskomst ging hij zijn boerenwerk doen. Ik mocht soms ook het stro opschudden en aanvullen. Ik mocht geen stro van de zolder naar beneden doen. Later kwam wel uit waarom ik dat niet mocht. Er zaten onderduikers op de hooizolder, waaronder zoon Willem.

Op een avond kwam de heer Scholten thuis en zei dat wij direct “Oet Hoes” moesten en buiten moesten blijven omdat er een V-1 waarschijnlijk naar beneden kwam. Die V-1 is toen, na rondcirkelen, op de Huttenwal neergekomen, waarbij nog  enige slachtoffers zijn gevallen. Deze slachtoffers zijn allen nog herdacht in de zondagse kerkdienst in de Schildkerk.

Er is één keer een inval geweest van de Duitsers die in de stal op zoek waren naar onderduikers. Die onderduikers zijn toen door het kleine deurtje boven de grote deuren van de stal naar beneden gesprongen en renden naar het grote kippenhok. Tijdens die “vlucht” zag een soldaat, die terug kwam lopen na zijn inspectie bij buurman van Oord de vluchters. Dit bleek een goede soldaat te zijn die de vluchters maande, “Weg mensch schnel”. Hierna liep deze soldaat naar de Witmoesdijk en meldde zich af bij zijn “kameraden”. 

De soldaten zijn toen in de Kübelwagen gestapt en vertrokken richting Rijssen. Dit hebben wij deels zien gebeuren en later, na de bevrijding, aangevuld met het verslag van zoon Willem! Wij hielden er allen op die dag toch een naar gevoel aan over, zo van zouden zij niet terug komen. Maar gelukkig is dat niet gebeurd.

Een goede afloop voor de onderduikers, waaronder dus ook zoon Willem. Dit verhaal is nog dikwijls ter sprake gekomen. De bevrijding in april 1945 hebben wij ook gadegeslagen door het ruitje van het “huuske”. De bevrijders, Polen, kwamen vanuit de richting Enter via de Witmoesdijk op weg naar Rijssen. Vier Poolse soldaten kwamen naar de keukendeur met de vraag of er Duitsers in de omgeving waren ondergebracht. Hierop antwoordde de heer Scholten “Nee gelukkig niet”. Dat verstonden zij, salueerden en gingen weer naar hun jeep en vertrokken richting Rijssen.

Na afloop van de oorlog kwam de zoon Willem tevoorschijn na zijn onderduikperiode. Een fantastisch mens die klaar stond  voor een ieder en die later als militair naar Indië moest, waarvandaan hij gelukkig later weer gezond is teruggekeerd!

De periode dat ik bij de familie Scholten was ondergebracht zit zo in mijn geheugen gegriefd, dat ik hen nooit meer kan vergeten en nooit meer zal vergeten! Pracht mensen! Ook de heer van Nieuwenhuizen verdient een ereplaats, zo ook de mensen van het Leger des Heils en allen die aan de hulp van onder andere de kindertransporten uit het westen naar het oosten van het land hulp hebben verleend. Veelal zal dit, als dit nog nooit gebeurd is, postuum moeten gebeuren.

Wij, mijn echtgenote en ik, komen nog regelmatig naar Rijssen en gaan dan op bezoek bij de tweede echtgenoot van de dochter van de heer Scholten, die jammer genoeg ook reeds is overleden. Tevens bezoeken wij dan gelijktijdig de kleinzoon van de heer Scholten en zijn echtgenote die ook in Rijssen wonen. Wij hebben nu eenmaal een heel sterke binding met Rijssen!

Het bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan! 

Co Eger
Rotterdam Overschie, februari 2020

Meer berichten