Logo bevrijdingskrant.nl
Foto: Martin Meijerink

Niemand weet waar?

Mijn grootvader, Frederik Martinus Loep, stierf op 4 mei 1943 voor een Duits vuurpeloton. Niemand weet waar. Tot de dag van vandaag hebben zoektochten niets opgeleverd. Mijn oma werd op het politiebureau ontboden. Ze wist van niets, maar onderweg zag ze de plakkaten hangen waarop het doodvonnis van mijn grootvader werd bekend gemaakt. Ze kreeg een papieren zak met de eigendommen van mijn grootvader. En de opdracht om samen het haar dochter Hengelo onmiddellijk te verlaten en er nooit meer terug te komen. Voor mijn moeder is dat een traumatische gebeurtenis geweest. Ieder jaar rond de eerste dagen van mei was ze somber. Voor haar is de oorlog nooit geëindigd, ook omdat er geen graf was. Ze kon niet afsluiten, er was geen stoffelijk overschot, geen plek.

Na de bezetting is er meer duidelijk geworden. Mijn grootvader werd door een Polizeistandgericht veroordeeld. Een speciale rechtbank, die werd ingesteld nadat op 29 april 1943 de April-Mei stakingen begonnen bij machinefabriek Stork. Mijn grootvader was er chef van een afdeling en uitgerekend op 29 april 1943 was hij niet aanwezig. De Duitsers hebben die stakingen keihard neergeslagen. Ze wilden dat er doden zouden vallen. Vandaar die speciale rechtbanken, die een schijn van legitimiteit moesten verlenen, maar in feite enkel zoveel mogelijk mensen ter dood moesten veroordelen. Zoals mijn grootvader. We weten dat de eerste rechter van dat Polizeistandgericht mijn grootvader niet ter dood wilde veroordelen. Hij vond dat niet was aangetoond dat mijn grootvader met die staking te maken had. Maar dat was niet wat de bezetter wilde. Ook in Hengelo, liever nog: juist in Hengelo, moest er iemand veroordeeld worden. Dat waren de stakingen immers begonnen. Rauter, de hoogste SS-baas in Nederland, wees toen een andere rechter aan: dr. Arno Arlt.1 Hij sprak het doodvonnis over mijn grootvader uit omdat die ‘door passief gedrag de staking bewust en gewild gesteund’ zou hebben. De bezetter had hem al eerder opgepakt, dat zal hebben meegespeeld. Maar vooral stierf mijn opa omdat er ook in Hengelo een dode moest vallen, bij voorkeur iemand die een leidende positie had in de machinefabriek Stork. Aan mijn moeder heb ik gezien hoeveel schade de bezetter hiermee heeft aangericht. Ze heeft tot het einde toe gezocht naar het graf van mijn grootvader. En ze was niet de enige. Er zijn toen veel meer mensen gefusilleerd waarvan sindsdien elk spoor ontbreekt. Bij hun nabestaanden heeft dat een diepe wond geslagen. Ik heb die speurtocht van mijn moeder overgenomen. Voor háár wil ik weten waar haar vader is doodgeschoten en waar zijn lichaam zou kunnen rusten. Ik zoek samen met andere nabestaanden. Velen helpen ons, waaronder Defensie. We geven de hoop niet op. Met anderen heb ik de Stichting Landelijke Herdenking April-Mei stakingen 1943 opgericht. Weinigen weten wat zich toen heeft afgespeeld. Enkele honderdduizenden mannen en vrouwen legden het werk neer. De grootste staking uit de Nederlandse geschiedenis, maar vooral een massale volksopstand tegen de bezetter. Die raakte in paniek, vandaar het machtsvertoon. Honderden mensen werden gedood. Je zou kunnen zeggen: al die mensen eisten hun rechten en grondrechten op. Hier stond het recht tegenover het onrecht. En anders dan vaak is gesteld, is die opstand geslaagd. Ze is tot keerpunt in de bezetting geworden. Het geweld waarmee de bezetter de opstand neersloeg, versterkte bij velen de bereidheid om het verzet te steunen of onderduikers op te nemen. Recht tegenover onrecht. Dat is waar ik in de meidagen aan denk. Uiteraard gedenk ik mijn grootvader. Die heb ik nooit gekend, maar hij is me nabij door het verdriet van mijn moeder. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik zelf in een andere wereld mag leven. Ik mag zeggen wat ik denk en de wet beschermt me tegen willekeur en terreur. Voor een gelegenheidsrechtbank hoef ik niet te vrezen. Wij leven in een rechtsstaat. Die nemen we haast als vanzelfsprekend aan, maar juist de vijf bezettingsjaren leren ons hoe kwetsbaar vrijheid en rechtsstaat zijn. Dat beseffen we alleen als we ons realiseren wat het betekent als die er niet zijn.

Ik merk het als ik in basisschoolklassen over mijn grootvader vertel. Al een paar keer heb ik meegemaakt dat vluchtelingenkinderen spontaan beginnen te vertellen over wat ze zelf hebben meegemaakt. Over hoe hun vader of broer is weggevoerd en nooit teruggekeerd. Over de dreiging, de angst, het verdriet. Dat is onrecht, dat is een omgeving waarin jouw leven niet meer telt. En die is dichterbij dan we denken. Een paar duizend kilometer maar. En, in tijd uitgedrukt: slechts 75 jaar.

 Brita Röhl.
 
Info@aprilmei1943stakingen.org

1         

        

Meer berichten