Logo bevrijdingskrant.nl
Foto:

Mien antiek? Dat vindt ze nooit

In de Hofstraat op nummer 13, achter de groothandel in kappersbenodigdheden van de heer Brocking, in de Vijfhoek, woonde familie Meijer Cohen. Meijer Cohen was al oud: hij werd in 1859 te Oldenzaal geboren.In 1885 huwde hij met Emma Windmüller uit Stadtlohn. Zij overleed in 1933.

Zij hadden twee dochters en een zoon, die Heijman Meijer Cohen heette, en Heejmenneke Cohen genoemd werd, ook wel "kleine Co". Als de familie ging wandelen liepen pa en ma voorop en de drie kinderen, netjes in de rij, volgden als kuikens de kloek. Heijman Meijer was heel klein van stuk en zijn moeder placht te zeggen: "Oons jong hef de joar’n wa, meer de götte nich". Bij Oranje-feesten in de Vijfhoek, die altijd in café Hudpohl in de Hofstraat gehouden werden, was de oude Meijer Cohen eregast, want hij was erevoorzitter van de buurtvereniging. Toen het in de oorlog menens werd, zei de heer In ’t Veld, die er schuin tegenover woonde, tot een van de dochters (Fannie): "Maak dat je wegkomt, nu kan het nog!’’ Maar Fannie en haar broer weigerden, "want" zei Fannie: "de vaar is zeek, dat kaank nich’’. De oude heer werd in het ziekenhuis opgenomen. Maar dat belette de Duitsers niet hem op te halen. Zoon Meijer was vrijgezel. Hij was een der zeven Oldenzalers die in 1941 al aangewezen werden om "in Duitsland te gaan werk". ’s Avonds voor zijn vertrek zat hij in Hotel Vasters, aan de stamtafel. Hij kwam hier vaak noch Harry Schutte kregen een woord van hem. Toen het tegen negenen liep (na acht uur mochten joden niet meer buiten komen) verdween hij stil door de zijdeur. Niemand heeft hem weer gezien. Ook hij stierf te Mauthausen in het vernietigingskamp, op 1 oktober 1941. Zijn kleine, tengere lichaam had het al spoedig opgegeven. Ze durfden niet. Voor Heijman Cohen, Joseph Maurits Meijer en voor Jules Cohen van de wasserij was een onderduikadres gevonden bij de familie Oude Smeijers in Lemselo. Maar ze hebben het uiteindelijk niet gedurfd en gingen op transport.

Antiek in de Hofstraat
In 1941 kwam Heijman Cohen uit de Hofstraat bij de aannemer Hekman met een verzoek. Hij zocht een plaats voor zijn grote verzameling kostbaar antiek. En of de aannemer het maar even bekijken wou. Bij een inspectie bleek dat er onder de opkamer een kelder was, voorzien van gewelven. Die waren met sintels opgevuld. Door die te verwijderen ontstond er een vrij grote ruimte, die zeer geschikt was om als bergplaats te dienen. Over het antiek werd papier gelegd en daarover cement gestort. Behalve de familie Cohen wisten slechts vader en zoon Hekman en een werkster wat er gebeurd was. Nu wilde het toeval dat de oude heer Cohen in het ziekenhuis werd opgenomen. Daar was hij loslippig en hij praatte zijn mond voorbij. Tegen een mede-patiënt zei hij bijvoorbeeld: Mien antiek? Dat vindt de Pruus’n nooit. Dat hef Hekman in orde maakt’’. Zijn dochter Fanny hoorde ervan en vond het maar riskant. Daarom werd het antiek weer opgegraven en het werd bij familie Hekman gebracht. In zes koffers verpakt werden de kostbaarheden tijdelijk op zolder opgeslagen, onder baggelaar (turf). Tot kennissen van de familie Cohen uit Amsterdam het hele zaakje ophaalden en het naar Amsterdam brachten. Hiermee zou de geschiedenis ten einde zijn, ware het niet dat er na bevrijding nogal wilde verhalen de ronde deden, zodat er sprake was van een onverwachte afloop. Wat was namelijk het geval? Schoenmaker Frans Beernink had, evenals zovelen, ruimtegebrek na de oorlog. Hij mocht toen zijn ambacht uitoefenen in een deel van het leegstaande pand der familie Cohen in de Hofstraat. En volgens één van die wilde verhalen was daar ooit veel antiek verborgen. En dat was nu allemaal weg. Dus… zou de schoenmaker Beernink er wel meer van weten! En zo kon het gebeuren dat de schoenmaker noodgedwongen zijn leest moest verlaten en in het Huis van Bewaring te Almelo terecht kwam. Gelukkig hoorde makelaar Hekman van het verhaal. En die toog ogenblikkelijk naar Almelo om de zaak uit de doeken te doen en de onschuld van de schoenmaker aan te tonen. En gelukkig Frans Beernink werd onmiddellijk – met vele excuses – vrijgelaten. En hij kon weer ongestoord achter zijn leest plaats nemen.

Meer berichten