Logo bevrijdingskrant.nl
De familie Klumpers in de Dijkerhoek waar Joost , Leo en Willemina onderdak vonden. Staand van links naar rechts Hanna, Willem, Jan, zittend Arend Jan en Tonia
De familie Klumpers in de Dijkerhoek waar Joost , Leo en Willemina onderdak vonden. Staand van links naar rechts Hanna, Willem, Jan, zittend Arend Jan en Tonia (Foto: )

Verdreven van huis en haard

De familie Klumpers in de Dijkerhoek waar Joost , Leo en Willemina onderdak vonden. Staand van links naar rechts Hanna, Willem, Jan, zittend Arend Jan en Tonia
De familie Klumpers in de Dijkerhoek waar Joost , Leo en Willemina onderdak vonden. Staand van links naar rechts Hanna, Willem, Jan, zittend Arend Jan en Tonia (Foto: )

In iedere oorlog proberen burgers veelal bescherming tegen het geweld van de strijdende partijen te zoeken door te vluchten. Die vluchtelingenstromen bewegen zich van hot naar her, al naar gelang de informatie over mogelijke veilige gebieden hen bereikt. Dat lang niet alle plaatsen die als veilig worden be­schouwd dat ook zijn, is recentelijk wel gebleken in Sebrenica.

In de Tweede Wereldoorlog was dat vaak niet anders, maar ge­lukkig zijn er uit die tijd uitzonderingen te vermelden. Honderden boeken zijn er geschreven over de Tweede Wereld­oorlog. Door verschillende van die boeken te lezen kan men een getrouw beeld verkrijgen van wat er in die periode, bijna van dag tot dag, is gebeurd. Alle oorlogshandelingen zijn tot in de kleinste details uitgediept.

Wat echter nauwelijks beschreven is zijn de consequenties van die oorlogshandelingen voor de gewone burgers. Mensen die buiten hun schuld verdreven werden van huis en haard en wier eigendommen vernield werden en soms totaal verloren gingen.

Twintig september a.s. is het 75 jaar geleden dat er een grote vluchtelingenstroom op gang kwam. Reden voor ons om in dit nummer een uitgebreide beschrijving op te nemen over de vluchtelingen die in de Tweede Wereldoorlog in Markelo zijn opgevangen. Niet alleen hun verblijf hier, maar ook hun vlucht en de reden daarvan zullen worden belicht.

Achtergrondinformatie

Op 6 juni 1944 landde het geallieerde invasieleger, bestaande uit Amerikaanse, Canadese en Engelse strijdkrachten op de Nor­mandische stranden. Meer dan 6000 schepen en landingsvaar­tuigen werden ingezet en bijna 11000 vliegtuigen waren voor de strijd beschikbaar. Daarmee begon een grote militaire operatie die soms voorspoedig en op andere momenten dramatisch ver­liep.

Een van de grote mislukkingen was operatie Market Garden. Op 17 september 1944 werden met vliegtuigen en zweefvlieg­tuigen 35.000 militairen met hun materieel gedropt bij Eindho­ven (het Wilhelminakanaal), Grave (de Maas), Nijmegen (de Waal) en ten noorden van de Rijn bij Arnhem. De bedoeling was om een reeks bruggen over de grote rivieren in handen te krijgen, om zo het Duitse Roergebied te kunnen omsingelen als begin van een opmars naar Berlijn. Maar het geallieerde opper­bevel was er niet van op de hoogte dat in het Gelderse gebied sterke Duitse legereenheden aanwezig waren, waaronder het Tweede SS-Panzerkorps. Na tien dagen felle strijd vluchtten de laatste Britse parachutisten bij Arnhem naar het zuiden. Daar­mee was deze operatie totaal mislukt. Door deze tegenslag raakte de bevrijding van Nederland een half jaar achterop. Het werd het zwaarste halve jaar van de hele oorlog. Arnhem en Oosterbeek moesten op Duits bevel ontruimd worden waardoor niet minder dan 180.000 mensen elders opgevangen dienden te worden.

Later onderging een groot gebied in Noord-Limburg, gelegen tussen de Maas en de Duitse grens, hetzelfde lot. Velen van die Limburgers zijn uiteindelijk terechtgekomen in Markelo.

Leven onder de grond (een vluchteling vertelt).

“Het was eind oktober 1944 dat wij van de Duitsers de opdracht kregen om ons huis in Afferden te verlaten. We woonden tussen de Duitse grens en de Maas, de verdedigingslinie van de Duit­sers. Aan de overkant van de Maas lagen de geallieerden. Over en weer werd er flink op los geschoten. We moesten ophoepelen van de Duitsers en maar zien dat we ergens anders onderdak kregen. Dat ging betrekkelijk vlot omdat we een plek vonden op de boerderij van familie van ons in Heukelom. Heukelom is een klein gehucht dat onder de gemeente Afferden valt. Buurt­genoten, die in de buurt geen onderdak vonden, trokken naar het noorden”.

Aan het woord is Joost Meeges, toen elf jaar oud. Hij was één van die vele vluchtelingen uit Noord Limburg. Het gebeuren uit die tijd staat als het ware op zijn netvlies gebrand.

Samen met zijn vader Herman en moeder Anna, zijn broer Ber­nard en zijn twee zusters Willemina en Josefien en wat schamele bezittingen ging het te voet naar Heukelom. Zijn broer Jacob was daar niet bij want die was in Duitsland te werk gesteld.

“Eenmaal in Heukelom hebben we meer onder de grond in een schuilkelder geleefd, dan dat we de buitenlucht zagen. De be­schietingen met zware kanonnen van de overkant van de Maas nam hand over hand toe. Als de beschietingen eventjes wat af­-

namen gingen we snel wat aardappelen rooien voor de volgende dag. Begin december zaten de meeste aardappels nog in de grond. Tijdens één van deze beschietingen is een nicht van mij omgekomen. Je kunt je voorstellen dat het geen pretje was om, met een grote groep mensen, in een schuilkelder te wonen met de angst dat er elk moment een zware granaat boven de schuil­kelder tot ontploffing kon komen. Inmiddels begon het winter te worden en flink koud. Eind december lag er flink wat sneeuw. Ondertussen nam de beschieting door de geallieerden toe (24 uur per dag), in België was in de Ardennen het laatste wanho­pige offensief van Hitler begonnen. De boerderijen, die door de bewoners waren verlaten, werden door de Duitsers geplunderd. Achtergebleven vee werd door hen geslacht. Wat ze dachten nodig te hebben werd er afgesneden. De rest van de kadavers bleven open en bloot liggen”.

Onbekende bestemming

Op 2 januari 1945 begon voor de Limburgers de ellende pas goed.

Joost: “ We kregen die morgen om acht uur de mededeling van de Duitsers dat we om negen uur klaar moesten staan om te ver­trekken uit onze tijdelijke schuilplaats. De hele streek moest ontruimd worden. We mochten alleen wat kleren meenemen.

Enkele boeren kregen toestemming een paard en wagen mee te nemen waar ouderen, zieken en mensen die slecht ter been waren, op mochten zitten. Om negen uur stond een stoet van ruim 2000 mensen klaar. Begeleid door bewapende Duitsers ging het lopend richting grens, Duitsland in. ’s Avonds werden we hier in een klein plaatsje (Weze) in een meubelfabriek ondergebracht waar we wat eten kregen uit de gaarkeuken. De andere morgen moesten wij al vroeg weer verder. Gelegenheid om ons te was­sen was er niet. Met name de kleine kinderen die nog niet zin­delijk waren, begonnen al wat te ruiken. Tevens begon het bitter koud te worden. Als ik nu op de televisie de beelden van vluch­telingen zie, zoals in Joegoslavië en Afghanistan, dan komen bij mij de herinneringen uit die tijd weer sterk naar boven.”

Kleve

Behalve dat het koud was, bestond ook nog de angst dat ze be­schoten zouden worden door vliegtuigen.

Joost: ” Gelukkig gebeurde dit niet, hoewel er veel vliegtuigen in de lucht waren. Onze tocht ging die dag richting Kleve. Een zware tocht en iedereen was ’s avonds behoorlijk moe. We wer­den daar ondergebracht in een school waar bijna geen dak meer op zat. In deze school hadden Russische krijgsgevangenen ge­zeten die de vorige dag vertrokken waren. Je kunt je niet voor­stellen welk een ongelooflijke smeerboel wij daar aantroffen en waarin wij ons moesten redden. Ook hier kregen we een klein beetje eten uit de gaarkeuken. Voor verschillenden van ons be­gon de honger te knagen. Ook hier was geen water om ons te wassen.

De derde dag, het weer werd steeds slechter en het lopen ging al moeilijker, ging het van Kleve naar ’s Heerenberg waar we weer in een school werden ondergebracht. In die school was de temperatuur gelukkig redelijk, daar stond tegenover dat we bijna niets te eten kregen. De andere morgen, zeg maar de vierde dag, ging het naar Zeddam.

’s Avonds weer hetzelfde liedje, in een school en bijna geen eten. Onze groep begon iets kleiner te worden want hier en daar werden onderweg wat mensen bij particulieren ondergebracht.”

Vernedering

Joost raakt bijna geëmotioneerd als hij verder vertelt. “Wij be­gonnen er uit te zien als echte schooiers toen we de andere mor­gen weer klaar stonden om te vertrekken, richting Terborg. Wij zwierven nu al voor de vijfde dag rond, zonder dat wij ons kon­den wassen. We hadden het erg koud en waren hongerig. In Terborg kregen we voor die nacht weer onderdak in een school. Van hieruit ging het de volgende morgen naar Lichtenvoorde waar we een plek kregen in zaal Pelle. Dit was een verademing want hier mochten we een paar dagen blijven. De opvang was ook beter geregeld. We waren totaal uitgeput, immers zes dagen lopen met een bijna lege maag is geen pretje. Ook in Terborg en Lichtenvoorde werden hier en daar mensen ondergebracht, hoe­wel dat moeizaam ging. Tweeduizend mensen onderbrengen, waarvan de gezinnen ook nog graag bij elkaar bleven, is geen gemakkelijke taak.

Vanuit Lichtenvoorde gingen we richting Groenlo en Neede naar Gelselaar waar we, het spreekt haast vanzelf, werden on­dergebracht in een school. Hier hebben we de meeste armoede geleden: slechte opvang en geen eten. In de school was het bitter koud. Toen verschillenden van ons op zoek gingen naar hout om de kachel te stoken, stelde de bevolking zich behoorlijk vijandig op. Je kon zien dat ze niets te maken wilden hebben met die schooiers uit Limburg. Van alle ellende die wij tijdens onze vlucht ondervonden, was het verblijf van een paar dagen in Gel­selaar wel de grootste vernedering voor ons.” Joost wordt nog kwaad als hij daaraan terug denkt.

” We waren blij dat we weer uit Gelselaar konden vertrekken. We waren door en door koud en voelden ons ontzettend smerig. Op ons als kinderen maakte de reis een onuitwisbare indruk: ernstig zieke mensen die op wagens werden meegevoerd, vrou­wen die onderweg van een kind bevielen en zelfs het overlijden van een kind onderweg, dat in Borculo werd begraven. Dit alles maakten we van nabij mee. De tocht ging richting Diepenheim en van daaruit naar Markelo”.

Hoe het daar was geregeld zou hij spoedig ondervinden.

De vluchtelingenopvang in Markelo.

De eerste vluchtelingen die onderdak zochten in Markelo waren geëvacueerde Scheveningers. Reeds aan het eind van 1942 on­dervonden de inwoners aan den lijve wat evacuatie betekende. Van de mannen waren er al velen weggevoerd naar Duitsland om daar te werken in de Duitse oorlogsindustrie. De vrouwen, kinderen en bejaarden kregen de aanzegging om hun woon­plaats te verlaten, omdat de Duitsers ter plekke een verdedi­gingslinie langs de Noordzee gingen bouwen.

Zo kon het gebeuren dat Markelo, zonder dat men er op was voorbereid, plotseling evacué’s kreeg aan wie onderdak en voed­sel moest worden verstrekt. Deze kleine groep, in de volksmond sprak men van vluchtelingen, werd later uitgebreid tot geweldig grote aantallen. Naast de Scheveningers, die al snel gewend wa­ren, kreeg Markelo later duizenden vluchtelingen te verwerken, waarvan velen na enkele dagen verder trokken. Anderen bleven vele maanden in Markelo wonen.

De mensen die slechts kort bleven, de zogenaamde passanten, werden ondergebracht in zaal Smit (nu café het Wapen van Markelo). Degenen die langer bleven werden gehuisvest bij par­ticulieren in het dorp en in de buurtschappen. Ook etenshalers uit het Westen vonden onderdak in de zaal van Cafe Smit.

De organisatie van de opvang

Al spoedig na de komst van de Scheveningers (eind 1942) werd een zogenaamde hulpdienst ingesteld. Deze was aanvankelijk gerelateerd aan het Rode Kruis en werd ook wel evacuatiedienst genoemd. Later, toen de landelijke leiding van het Rode Kruis problemen kreeg met de Duitse bezetters, werden die werk­zaamheden voortgezet door de BAB (Bureau Afvloeing Burger­bevolking).

Het was de toenmalige burgemeester Korthals Altes, die het initiatief nam tot het instellen van een hulpdienst in Markelo. Hij verzocht de heer Roosdom om als hoofd van deze dienst te gaan functioneren. Als eerste medewerkers kreeg deze toegewezen: A.R. van de Wolde (vervoerszaken) en J. Bats (administratieve

zaken). Deze heren konden op dat moment nog niet bevroeden dat hun organisatie zou uitgroeien tot een geweldig grote staf van vrijwillige medewerkers. Voorlopig ging ze echter een nogal sluimerend bestaan lijden. Haar onderkomen was eerst een kamer in het gemeentehuis, later in het huis van de heer Snijders (nu Goorseweg 10).

Men kwam voor de eerste keer in actie toen er sprake van was dat de bevolking van ons dorp in z’n geheel op korte termijn geëvacueerd zou moeten worden naar de buurtschappen. Deze plannen werden geuit door de Weermachtscommandant in De­venter.

De evacuatiedienst, inmiddels uitgebreid met J. ten Hove (smid) en G. Vermeulen (koerier en leider passantenhuis), had binnen

Op de foto H.J.Lammertink. De ouders van Joost”, zijn broer Bernard en zijn zuster Josefien kregen onderdak bij Lam­mertink (Kop’ren Smorre)

twee dagen een compleet evacuatieplan gereed. Iedereen in het dorp wist bij welke boerderij hij terecht kon en iedere boer wist

wie hij kreeg ingekwartierd. Ook het vervoer was tot in detail geregeld. Gelukkig hoefde dit plan nooit ten uitvoer te worden gebracht.

Toen eind oktober 1944 de vluchtelingenstroom een massale omvang begon aan te nemen, bleek de organisatie in Markelo op bijna alle punten moeilijkheden op te leveren. Zowel de huis­vesting als de voedselbereiding gaven vele problemen. De mate­rialen, die door het centrale Rode Kruis ter beschikking waren gesteld, werden maar in een kamer bij G. Wissink (voormalig hotel de Zwaan) gestouwd, omdat er van alles tussen zat, be­halve de goederen die men nodig had. Slechts de toegezonden stromatrassen waren bruikbaar voor het passantenlokaal.

De echt benodigde zaken moest men dan ook zelf aanschaffen, dan wel verkrijgen van particulieren.

De eerste grote toestroom van vluchtelingen vond plaats op 14 november 1944. De dag ervoor kwam er een telefoontje op het gemeentehuis met de mededeling dat er de volgende dag 850 vluchtelingen zouden moeten worden ondergebracht Ze moes­ten afgehaald worden in Diepenheim. Als gevolg van dat tele­foontje werd er een vergadering uitgeschreven voor 14 novem­ber om 9.00 uur. Op deze vergadering waren o.a. aanwezig: J. Roosdom, A.R. van de Wolde, J. Bats, Ds. Schellenberg, H.J. Kistemaker, J. ten Hove, G. Sanderman, J. Klein Velderman, G. Wissink, G. Wonnink, Exzo, H. van Zalk, D. Geurtsen, echtpa­ren Meengs en Neef, Mej. B. Buursink en vele anderen. In de loop van de vergadering kwam ook NSB-burgemeester Diemer binnen. Grote afwezigen waren burgemeester Korthals Altes en Dr. Wanrooy (beiden ondergedoken), Dr. Romijn en de heer Hardenberg (beiden in een concentratiekamp). Het was een korte vergadering want om 11.00 uur moesten de vluchtelingen, die met boerenwagens vanuit de richting Borculo werden aan­gevoerd, in Diepenheim worden opgevangen. De heren Ver­meulen en Zalk werden hiertoe naar Diepenheim gestuurd.

In de stromende regen kwamen ze het dorp binnen. Vooraan een grote stoet boerenwagens met daarop totaal verkleumde mensen, die al langer dan een week onderweg waren. Diezelfde avond kwam er nog een transport, dat verkeerd gereden was en dat in Stokkum, bij boeren die van te voren niet waren ingelicht, on­dergebracht moest worden. De deuren gingen echter bijna overal wagenwijd open. Niet overal, maar daar stond tegenover dat anderen wel een paar mensen meer opnamen.

Van zondag tot woensdag kregen de vluchtelingen de tijd om wat op adem te komen. De kleding werd gedroogd en er werd flink gegeten en geslapen. ’s Woensdags werden vele Markelose boeren met paard en wagen gecharterd en deze vervoerden de vluchtelingen verder naar het noorden, de eerste dag tot Ommen.

Aan de hand van de ervaringen opgedaan met dit eerste trans­port, werd de organisatie grondig aangepast. Er werd in decem­ber 1944 een passantenhuis gesticht in zaal Smit, waar vluchte­lingen die slechts voor korte tijd hier verbleven konden worden ondergebracht. Dat zaal Smit hiervoor vrij kwam was te danken aan het feit dat de Duitsers, die tot die tijd die zaal in gebruik hadden, juist toen plotseling vertrokken. Zowel de grote zaal, het toneel als enkele kleinere kamers werden als passantenver­blijf ingericht. Naast de voordeur kwam een groot bord met daarop een rood kruis. Het werd een toevluchtsoord voor vele ontheemden. Vluchtelingen uit het zuiden, etenhalers uit het westen, maar ook onderduikers konden hier terecht.

Een noodziekenhuis werd gecreëerd in het kantoorgebouw van de coöperatieve landbouwvereniging. Er werden ledikanten ge­plaatst, een verpleegster en een paar vrijwilligsters deden hun intrede en ’s morgens kwamen de (waarnemende) huisartsen om beurten op bezoek. Zieken hoefden daardoor niet langer in het rumoerige passantenverblijf te blijven en konden hier rustig op krachten komen.

Na dit eerste transport volgden er nog vele. De meerderheid bleef maar één nacht in het passantenlokaal en trok daarna ver­der, anderen verbleven hier maanden.

De colonnes boerenwagens met daarop de vluchtelingen werden soms beschoten door jachtbommenwerpers. Het is gelukkig maar één keer voorgekomen dat hierbij een gewonde viel te be­treuren. Op 5 januari 1945 werd een wagen op de Holterweg nabij café de Poppe geraakt. Mevrouw Brugmans, een vluchte­linge uit Arnhem, werd gewond. Zij werd in Markelo verpleegd en is tot ver na de oorlog hier blijven wonen. De beschietingen werden echter steeds heftiger zodat besloten werd om alleen nog ’s avonds en ’s nachts vluchtelingen te vervoeren.

De hulp was algemeen

Zowel in het dorp als in de buurtschappen was men er van door­drongen dat de evacuatiedienst slechts naar behoren kon functi­oneren als iedereen, waar nodig, behulpzaam was. Uit alle hoe­ken van de gemeente kwam dan ook zowel persoonlijke als ma­teriële en financiële hulp. In de praktijk is er bijna geen land­bouwer in Markelo die, in de periode eind 1944, begin 1945 niet voor kortere of langere tijd aan een groepje vluchtelingen on­derdak heeft verleend.

Natuurlijk waren er ook uitzonderingen: mensen die de noden van hun medemensen wel zagen maar het niet konden opbren­gen om daadwerkelijk de helpende hand te bieden. Juist omdat het uitzonderingen waren zijn die gevallen, ruim 55 jaar na dato, bij ingewijden nog steeds bekend.

Door de eendrachtige samenwerking van bijna alle Markeloërs ging de evacuatiedienst geweldig goed functioneren. Nergens in de omgeving werden de vluchtelingen zo onthaald als in Mar­kelo. Vroegere scheidslijnen in de bevolking, zoals kerkelijk en niet-kerkelijk, politiek links of rechts, deden er niet meer toe.

Problemen rond het passantenverblijf

Vele Markelose vrijwilligers zetten zich in om het passanten­verblijf draaiende te houden. Getracht werd om ook de vluchtelingen in te schakelen bij de werkzaamheden. Dit werd vaak een groot fiasco. Velen waren door de ontberingen onverschillig en lui geworden en “drukten” zich als er karweitjes (die in het be­lang van hen zelf waren) uitgevoerd moesten worden. Steeds weer draaiden dezelfden op voor de vervelendste klusjes.

Het vullen van de slaapzakken met hooi of stro gebeurde aan de overkant van de weg bij (de nu niet meer bestaande) boerderij Eungs. Vluchtelingen, die hiermee werden belast, gedroegen zich onverantwoord door in de hooischuur te gaan roken en el­kaar te gooien met alles wat in die schuur aanwezig was. Sinds­dien moesten ze de strozakken buiten in de vrieskou in plaats van in de warme schuur vullen.

Aardappels schillen, koolrapen schoonmaken, zagen van hout voor de kachel, schoonmaken van de zaal en de toiletten, bedden kloppen, het waren allemaal karweitjes die men zelf kon doen, doch die slechts na het uitoefenen van enige dwang uitgevoerd werden.

Teneinde de discipline onder de zaalbewoners wat aan te halen, werd er een zaalchef aangesteld in de persoon van de heer G. Vermeulen. Een van de eerste maatregelen die hij nam, was dat men verplicht werd zich zo nu en dan te wassen. Hiertoe werden warm water, zeep en dergelijke ter beschikking gesteld. Helaas waren er velen, vooral vrouwen, die zich aan deze verplichting onttrokken.

Men moet echter uit het voorgaande niet concluderen dat alle vluchtelingen zich onttrokken aan de werkzaamheden en ver­plichtingen. Er waren ook mannen en vrouwen die prijs stelden op een goede organisatie en zich daar daadwerkelijk voor inzet­ten. Grote indruk maakte b.v. de familie Crommentuyn uit Af­ferden. Vooral Mevrouw Crommentuyn was de ziel van alle goedwillende aanwezigen in de zaal. Zij, haar dochters en ande­ren hielpen de vrijwilligers bij alle voorkomende werkzaamhe­den. Ook zorgde zij er voor dat het godsdienstig leven van de, meest katholieke, aanwezigen weer werd geïntensiveerd. De heer Crommentuyn, die bakker van beroep was, nam het voor­touw als de vrijwilligers de kleffe broden moesten snijden. Er waren echter meer families die op het juiste moment de handen uit de mouwen staken: de familie Mulder uit Arnhem, de ge­zusters Clevers, de families Rutten en Willems uit Angeren.

De problemen met het aardappelschillen werden op de duur zo problematisch (de zaal werd totaal versmeerd door het slordig omgaan met schillen e.d.) dat gezocht werd naar een andere plek. Deze werd gevonden in de bakkerij van Klumpers. En plotseling steeg de belangstelling voor het aardappels schillen, want in de bakkerij was het lekker warm. Maar ook daar werd er met schillen e.d. gegooid. Zelfs Klumpers werd er mee be­kogeld. Dat werd niet getolereerd en dus werd de bakkerij ont­ruimd, het aardappels schillen moest vanaf toen in de gaarkeu­ken zelf, die gehuisvest was bij de slagerij van Dollekamp (Beurdje) aan de Holterweg, plaatsvinden. Ineens werd de zin in schillen weer minder, sommigen simuleerden zelfs dat ze daar­voor te ziek waren. Enkelen liepen met verband om de arm of de vingers om maar verschoond te blijven van het vervelende kar­weitje.

Nog zo’n karwei waar bijna niemand voor te porren was, was houtzagen. Omdat er geen kolen meer waren moesten de kachels in de zaal en in de gaarkeuken gestookt worden met hout. In de bosrijke omgeving was hout in overvloed te krijgen. Maar het werd door de gemeente, via de distributiedienst aan de stam be­zorgd bij zaal Smit. Dus het moest nog in blokken worden ge­zaagd voordat het verstookt kon worden. Een mooi karwei voor de manlijke vluchtelingen, die werkloos rond doolden en de omgeving verkenden, dacht men. Het was echter elke dag weer een strijd om vier man te vinden die 1 ½ uur aan de zaag wens­ten te trekken, terwijl het toch in het belang van henzelf was dat de zaal enigszins verwarmd werd.

Toch waren ook hierop weer uitzonderingen. Er waren ook vluchtelingentransporten waarvan de mannen zelfs vroegen om werkzaamheden. 

Het eten

Het was in het laatste oorlogsjaar moeilijk om dagelijks de maaltijdvoorziening rond te krijgen. Vooral in de steden was het hopeloos. Echter op het platteland en dus in Markelo viel het nogal mee. Hoewel in de winkels er nauwelijks iets te krijgen was en wat er was, kon alleen op distributiebonnen worden ge­kocht.

Ook de voedselvoorziening voor de bewoners van zaal Smit ging niet altijd van een leien dakje. De regel was dat de zaalchef ’s morgen een dagrapport opstelde, waarop o.a. vermeld werd voor hoeveel personen er die dag voedsel moest zijn. Van de distributiedienst kreeg de gaarkeuken aan de Holterweg dan bonnen om brood, boter, beleg en de grondstoffen voor de warme maaltijd aan te schaffen. De warme maaltijd was trou­wens nogal eentonig. Deze bestond, op uitzonderingen na, da­gelijks uit aardappelen met koolraap. Die uitzonderingen betrof­fen b.v. het kerstdiner van 1944 en de viering van het 25-jarig huwelijk van het vluchtelingenpaar Rutte uit Angeren. Bij die gelegenheden waren er spersiebonen, beschikbaar gesteld door de Markeloërs, roastbeef en pudding toe. Dit laatste was alleen mogelijk door gesjoemel bij de distributiedienst.

Ook kwam het voor dat soms een boer met een kruiwagen vol boerenkool bij de gaarkeuken kwam. Dit resulteerde dan in een feestmaal.

Het toebereiden van het brood, het afwassen van het bestek en de tafels en andere werkzaamheden rond de voedselverstrekking vergde veel van de vrouwelijke vrijwilligers uit Markelo onder leiding van Mevrouw Meengs- Heilersig. Er waren twee ploegen geformeerd waarvan de ene in de loop van de morgen begon en de andere, die in de loop van de middag van start ging. Het was dan ook geen kleinigheid. Wanneer er 150 mensen in de zaal aanwezig waren (wat vaak het geval was) moesten er 300 por­ties brood klaar gemaakt worden, dus 1200 sneetjes brood. De broodmaaltijden die ’s morgens en ’s avonds werden genuttigd bestonden uit 4 boterhammen per persoon belegd met boter en vlees of kaas. Tijdens de warme maaltijd mocht men eten zoveel men beliefde.

Tot de groep vrijwilligers behoorden o.a.: Anneke Nijenhuis, Gerda Meengs, Marietje Frederiks, Manda Schellenberg, Kerstin Schellenberg, Gerrie Roosdom, Hanna Kottelenberg, Gerda Hargeerds, Joke Groothuis, Nel Vermeulen, Willy Alink en vele anderen.

Niet ongenoemd kan blijven Gerrit Dollekamp (Beurdje), die de rol van kok vervulde in de gaarkeuken. Toen Gerrit op een be­paalde dag, zonder waarschuwing vooraf, niet in de keuken ver­scheen brak er paniek uit. Het probleem was echter snel opgelost toen de heer Neef, directeur van de zuivelfabriek, aanbood om 300 liter pap ter beschikking te stellen.

Natuurlijk zorgden de Markelose boeren ook voor voldoende eieren toen vlak voor de bevrijding een paasmaaltijd verzorgd moest worden.

Joost vertelt verder:

“In schril contrast met eerdere (slechte) ervaringen werden we in Markelo goed opgevangen en ons gezin kwam in zaal Smit terecht. Hier zijn we veertien dagen geweest. Op een dag moes­ten we op een boerenwagen naar Wierden voor ontluizing want we zaten volop onder het ongedierte. Dat was gezien de omstan­digheden geen wonder.

Doordat wij wat bewegingsvrijheid kregen kwam mijn broer Bernard in gesprek met Lammertink ( Kop’ren Smorre). Op de een of andere manier klikte dat, ook al doordat hij goed kon om­gaan met paarden. Hij kreeg toestemming om voor kost en in­woning als knecht te helpen op de boerderij. Ook mijn vader en moeder en mijn jongste zuster Josefien kregen hier enkele dagen later onderdak. Mijn broer Leo, mijn zuster Willemina en ik kwamen eerst bij Meijer (Getjan Meenderink). In de schuur bij Meijer zaten toen Russische krijgsgevangenen die alleen kool­bladen te eten kregen. Het beviel ons niet zo goed bij Meijer en een paar dagen later werden we ondergebracht bij Arend Jan en Tonia Klumpers in de Dijkerhoek. Die hadden zelf drie kinderen­, Hanna, Willem en Jan. Arend Jan had een klein boerderijtje en was tevens koster van de Hervormde kerk in Markelo. Ge­weldige mensen! Andere woorden kan ik er niet voor vinden. Ook mijn ouders hadden het bij de Lammertinks goed naar hun zin. Bij Lammertink kwam elke dag Jan Kuipers (ook nu nog), die had, samen met zijn broer Hendrik, een klein winkeltje en een kleermakerij.Van hem hebben we veel kleding gekregen. Als er ooit mensen een lintje verdiend hebben, dan zijn het wel Jan Kuipers, de families Lammertink en Klumpers Het vol­gende is me ook altijd bijgebleven: Klumpers wist dat wij ka­tholiek waren. Daarom stond hij er op dat wij zondagsmorgens naar de RK kerk in Goor gingen. Wij mochten de fietsen van hun kinderen gebruiken. In deze plezierige omgeving bleef ik tot de bevrijding. Jan Kuipers, de man waar Joost met dankbaarheid aan terug­denkt

De bevrijding

De bevrijding van Markelo liet lang op zich wachten. Op 30 maart 1945 trokken de Canadezen, nota bene vanuit Duitsland, de Gelderse Achterhoek binnen. Reeds op 1 april was Diepen­heim bevrijd, maar vandaar gingen de bevrijders richting Goor en Delden en lieten Markelo letterlijk links liggen.

Bij Varsseveld was een flank van de Canadezen linksaf gebogen en richting Almen getrokken, waar ze het Twentekanaal over­staken. Vandaar trokken ze via Laren richting Holten. Bij de Schipbeek, tussen de Hogebrug en de Wippert, werden ze door de Duitsers enkele dagen (6 en 7 april) opgehouden. Hierdoor werd Markelo, noordelijk van het Twentekanaal, pas op zondag 8 april, vanuit westelijke richting, bevrijd. Dit had wel als voor­deel dat de Duitsers toen grotendeels al vrijwel geruisloos waren weggetrokken en er op die dag dus nauwelijks gevechtshande­lingen plaatsvonden.

Het moment van de bevrijding verliep zo stil dat velen het aan­vankelijk nauwelijks konden geloven. Men had zich vooraf een beeld gevormd dat bij de bevrijding, met veel tamtam, een grote schare vluchtende Duitsers achtervolgd zou worden door een grote troepenmacht bestaande uit Engelsen en Canadezen. Dat alles zou met veel schieten, vliegtuigen enz. gepaard gaan. Het werd een anticlimax: een jeep met twee Canadese officieren reed het dorp binnen en daarmee waren we bevrijd. Overal brak de uitbundige vreugde los, met name in zaal Smit, waar men alleen maar dacht aan een zo snel mogelijke terugreis naar huis en haard. Er ontstond een ware run op het evacuatiebureau door de mensen die in de buurtschappen bij de boeren waren onder­gebracht en die dachten dat ze de volgende morgen al zouden kunnen terugkeren. Ze kregen echter te horen dat de terugreis nog wel een maandje op zich zou laten wachten.

 Tijdens de feestelijke dagen direct na de bevrijding zorgde de familie van Kesteren uit Siebengewald, die bij een landbouwer waren ondergebracht, voor de muzikale omlijsting in zaal Smit.

Drie weken na de bevrijding, op 22 april 1945, waren er naast de velen die bij de landbouwers in de buurtschappen logeerden, nog 250 vluchtelingen in het dorp: 110 in zaal Smit, 26 bij Kis­temaker (Gorkink), 30 bij de Haverkamp, 22 bij Dollekamp (de Bierpomp), 60 in de huishoudschool aan de Goorseweg en 2 geestelijken bij gemeenteontvanger Klumpers aan de Goorse­weg. Op die dag vorderden de Canadezen zaal Smit wat de lei­ding van de evacuatiedienst veel problemen bezorgde. Uiteinde­lijk werd de hele bevolking van zaal Smit overgebracht naar de lagere school in Stokkum, waardoor deze ruimte als vluchtelin­gen-centrum werd opgeheven.

Tegen 30 juni 1945 waren alle vluchtelingen, zowel die in Stok­kum als Markelo, weer teruggekeerd en werd de evacuatiedienst definitief opgeheven.

Joost bevindt zich hier ook ergens tussen

Terug naar Limburg

De wapenstilstand was niet alleen voor ons, maar zeker voor de vele vluchtelingen 8 april 1945. 

een ware bevrijding. Eindelijk was er weer enig zicht op een terugkeer.

Joost:” Allereerst was de bevrijding al een waar feest. We waren de hele dag in het dorp en hebben gezien hoe NSB-ers werden opgehaald en voor het gemeentehuis vrouwen kaal geschoren. Ik heb ook gezien hoe Limburgers bij de bevrijding met een sten­gun rondliepen en een band om de arm. Ze waren nu lid van de ondergrondse. Er was er zelfs een bij die in Limburg CCD con­troleur (Centrale Controle Dienst) was en voor de boeren geen gemakkelijke.”

Joost laat zich er verder niet over uit en laat merken dat men in die tijd geen al te hoge pet op had van dit soort ondergrondse strijders.” Hoewel men nog volop feest vierde werd het verlan­gen om naar huis te keren steeds groter. Eindelijk was het dan zover. De 2e Pinksterdag gingen we weer op weg. Dit keer hoef­den wij gelukkig niet te lopen. Hoewel wij geen hoge verwach­tingen hadden van onze thuiskomst was de eerste aanblik er een van totale ontreddering. De Duitsers hadden de meeste huizen leeggeroofd en ontzettend veel vernielingen aangericht. Om kort te zijn: een totale chaos.”

Eenmaal terug in Afferden moest het gewone leven weer een aanvang nemen. Joost ging weer naar school, daarna naar de ambachtschool. Na de ambachtschool werkte hij bij een boer en vervolgens vier jaar in de mijnen in Zuid Limburg. Daarna kocht hij het huis van zijn ouders en begon een bedrijf voor legkippen. Dit ( 20.000 legkippen) verkocht hij in 1987 omdat er geen op­volgers waren.

Terugblik

Hoe ziet Joost, na al die jaren, terug op zijn tijd in Markelo en de bewoners?

Joost: “Met een heel goed gevoel. Wij hebben nog jarenlang contact onderhouden. Ik ben nog naar de begrafenis van Jan Lammertink geweest, waar ik Jan Kuipers heb gesproken.

Arend Jan Klumpers en zijn vrouw Tonia zijn zo’n driekwart jaar na de bevrijding bij ons op bezoek geweest. Later kregen wij van de pastoor te horen dat het niet gepast was dat wij an­dersdenkenden onderdak hadden verleend. Mijn vader heeft die pastoor eens goed duidelijk uitgelegd wat die andersdenkenden in die donkere periode voor ons hadden gedaan.

Wat mij vooral opviel in Markelo was dat in veel gezinnen drie generaties samenwoonden. Zo iets kwam bij ons niet voor. In onze Markelose periode is me ook de zo vanzelfsprekende bu­renhulp opgevallen. Mijn vader heeft serieus overwogen om na de bevrijding in Markelo te blijven. Hij mocht Markelo en zijn bewoners wel.”

Waarin een kleine gemeenschap groot kan zijn.

Bijna 60 jaar geleden werden ontheemden, oorlogsvluchtelin­gen, in Markelo op een vaak uitstekende manier opgevangen. Het waren medemensen en dus hadden ze, volgens het grootste deel van de bevolking, recht op hulp en aandacht, ook al waren het geen ‘noabers’.

Dat typeert een gemeenschap als de onze en heeft in de herinne­ringen van velen een onuitwisbare, positieve, indruk achterge­laten.

Niet velen vertellen op zo’n manier hun levensverhaal. Het is goed om te kunnen lezen over datgene waarin een klein dorp groot kan zijn.

J.Stoelhorst

G.J.Leferink

Meer berichten